Skip to main content

De onzichtbare gevangenis: hoe recht en samenleving huiselijk geweld missen

Marlon Domingus

In The House of the Dead beschrijft Dostojevski de Siberische strafkolonie niet alleen als een penitentiaire instelling, maar als een extreme, bijna experimentele vorm van samenleving: een ruimte waarin macht en recht ontdaan zijn van hun beschavende façade. Juist daar, waar mensen volledig afhankelijk zijn van de willekeur van bewakers en het geweldsmonopolie van de staat, wordt zichtbaar wat een rechtsorde werkelijk van menselijke waardigheid overhoudt wanneer alle decor wegvalt.

In die zin is het begrijpelijk dat zijn gedachte in de filosofische literatuur vaak wordt samengevat als de stelling:

je kunt het beschavingsniveau van een samenleving afmeten aan de manier waarop zij haar gevangenen behandelt

Vgl. F. Dostojevski, Notes from the House of the Dead (oorspr. 1862). De vaak geciteerde formulering “The degree of civilization in a society can be judged by entering its prisons” is een gangbare parafrase van deze gedachte.

De gevangenis fungeert als morele lakmoesproef van de politieke gemeenschap.

Welnu, wie Dostojevski serieus neemt, kan zich niet beperken tot de muren van formele instellingen. Als het waar is dat je een samenleving beoordeelt op de manier waarop zij omgaat met wie volledig aan haar macht is overgeleverd, dan moeten we niet alleen naar de staatgevangenis kijken, maar ook naar de vele, onzichtbare, private gevangenissen achter de voordeur. In Nederland zijn er talloze huishoudens waarin vooral vrouwen en kinderen leven onder een regime van controle, dreiging en vernedering, zonder reële mogelijkheid om te vluchten: financieel afhankelijk, sociaal geïsoleerd, juridisch onvoldoende beschermd.

Slachtoffers van huiselijk geweld zijn in die zin feitelijk opgesloten in de plek waar zij wonen. Hun woning is geen veilige haven, maar een particuliere variant van de strafkolonie: een ruimte waar macht en recht opnieuw ontdaan blijken van hun beschavende façade, en waar pijnlijk zichtbaar wordt hoeveel er van menselijke waardigheid overblijft als niemand meekijkt.

Als een samenleving zichzelf rechtsstatelijk, zorgzaam en beschaafd noemt, wat zegt het dan wanneer slachtoffers van huiselijk geweld keer op keer niet werkelijk worden gezien? Wat zegt het over ons wanneer een vrouw pas geloofwaardig wordt geacht als het geweld zichtbaar en luid is? Maar niet zolang het zich voltrekt in taal, structurele angst, uitputting, financiële afhankelijkheid, verwarring, het dagelijkse verschuiven van grenzen en het verlies van de eigen identiteit?

Waar wij wél en níet naar kijken

Als we deze vragen serieus nemen, komen we onvermijdelijk uit bij de manier waarop wij rechtvaardigheid inrichten. In onze samenleving wordt recht doorgaans bediend door het zorgvuldig registreren van incidenten: losse voorvallen die voldoen aan de criteria van strafrecht, civiel recht of zorgindicaties.

Politie, jeugdhulp, rechtbank en gezinshulp zijn ingericht op aantoonbare feiten op een bepaald moment in de tijd: blauwe plekken, een bedreiging, één escalatie tijdens een omgangsweekend.

Maar juist bij huiselijk geweld is het beslissende niet het ene incident, maar het patroon waardoor de wereld van het slachtoffer langzaam kleiner wordt: vriendschappen die verwateren, werk dat niet meer vol te houden is, geld waar geen zeggenschap meer over bestaat, kinderen die worden ingezet als informanten of drukmiddel. Voor buitenstaanders is er zelden één helder omslagpunt waarop iedereen kan zeggen: hier is iets fundamenteel mis. De vernauwing van iemands leefwereld is geleidelijk en stil en daarom valt zij buiten het blikveld van een incidentgericht systeem. Omdat onze manier van kijken het niet registreert.

In die zin is het geen toeval dat het incidentgerichte karakter van onze instituties samenvalt met een taal die patronen afvlakt tot losse voorvallen. Wat we niet als structureel probleem herkennen, benoemen we ook niet als zodanig. En wat geen naam heeft, roept zelden om ingrijpen.

Dat is ook waarom wegkijken zo gemakkelijk sociaal geaccepteerd blijft. Niet omdat iedereen onverschillig is, maar omdat mystificeren comfortabeler is dan benoemen. Zolang we spreken over “een complexe scheiding”, “communicatieproblemen”, “een lastige thuissituatie” of “twee partijen met emoties”, hoeven we niet onder ogen te zien dat macht vaak helemaal niet wederkerig is verdeeld.

Zulke taal sust het geweten. Ze maakt geweld bestuurbaar, professioneel hanteerbaar en moreel vager dan het is.

En dus: niet alleen de omgeving ziet het vaak te laat, ook het slachtoffer zelf ziet lang niet altijd wat er gebeurt. Niet omdat zij naïef is, maar omdat de verborgen dynamiek van huiselijk geweld precies daarop berust. Wie stelselmatig wordt gecorrigeerd, geïsoleerd, gemanipuleerd en verantwoordelijk gemaakt voor de stemming, woede of instorting van een ander, verliest vaak niet alleen bewegingsvrijheid maar ook interpretatievrijheid. Het slachtoffer leeft dan niet alleen onder druk; zij gaat de druk op een gegeven moment uitleggen als zorg, plicht, loyaliteit, eigen tekortschieten of simpelweg als de prijs van de relatie.

Daarom is de vraag “waarom ging zij niet weg?” niet alleen simplistisch, maar onrechtvaardig. Een rechtvaardige samenleving stelt eerst een andere vraag: wie is hier kleiner gemaakt? Wie is hier systematisch ruimte kwijtgeraakt? Wie moest zich aanpassen om schade te beperken, terwijl de ander juist meer macht, meer speelruimte en meer geloofwaardigheid naar zich toe trok? Pas als we die vragen durven stellen, komt huiselijk geweld in beeld zoals het werkelijk vaak is: niet als een reeks losse incidenten, maar als een proces waarin autonomie langzaam wordt afgebroken en waarin instituties te vaak meewerken door dat proces niet scherp genoeg te benoemen.

Dit essay vertrekt daarom vanuit de stelling:

Een samenleving die verborgen macht neutraal behandelt, is niet rechtvaardig maar medeplichtig. Zij faalt op haar meest fundamentele taak wanneer juist de mensen die bescherming nodig hebben door recht, zorg en publieke moraal verder worden weggedrukt in de stilte. In sociaal en institutioneel zwijgen. Onderdrukking gedijt bij die stilte.

Zolang recht, zorg, jeugdhulp en politie namelijk de incidenten en het onderliggende patroon blijven mystificeren met neutraliserende taal, laten zij niet alleen het slachtoffer in de steek; zij helpen ook de macht onzichtbaar te houden.

Om te begrijpen wat er dan precies onzichtbaar blijft, gaan we nu inzoomen op de dynamiek achter de voordeur: op dwingende controle en op de trauma reactie die slachtoffers tot pleasen dwingt.

Article content
Voor dit artikel gemaakt met Perplexity

1. Dwingende controle: micro-regulering als machtswapen

Het publieke en juridische discours over huiselijk geweld focust zich steevast op het meetbare incident: het tijdstip, de escalatie, de blauwe plek. Maar zwaarwegend partnergeweld, en met name dwingende controle (coercive control), is vrijwel nooit incidenteel. Het is een langdurig proces van uitholling.

Evan Stark, grondlegger van het concept dwingende controle, stelt dat dit gedrag draait om dominantie door isolatie, intimidatie en de bewuste “micro-regulering” van alledaagse routines. Een dader ontzegt een slachtoffer niet meteen alle vrijheid, maar neemt de touwtjes over met duizend ogenschijnlijk onschuldige correcties: hoe het huishouden moet, wie er op bezoek mag, hoe laat men thuis moet zijn, of kritiek op kleding en werk. Zoals Stark het omschrijft, creëren plegers hiermee een vorm van gijzeling in de eigen privésfeer, waarbij niet de uitschieters van geweld het gevaarlijkst zijn, maar de continue staat van paraatheid (hypervigilance). De werkelijke schade is niet de incidentele klap, maar het feit dat het slachtoffer niet meer zonder toestemming van de pleger durft te ademen.

2. De Fawn-respons: pleasen als overlevingsstrategie

Vaak delen daders en slachtoffers paradoxaal genoeg een vergelijkbare ontstaansgrond: chronisch en complex jeugdtrauma in een onveilige omgeving. Maar uit diezelfde wortel groeien totaal andere overlevingsstrategieën.

De latere dader smeedt een harnas van controle, manipulatie en een vals superioriteitsgevoel om zijn eigen pijn af te weren.

Het latere slachtoffer daarentegen ontwikkelt de zogeheten fawn-respons (onderwerping/pleasen), een term die door traumatherapeut Pete Walker is uitgewerkt in zijn beschrijving van de vier traumareacties fight, flight, freeze en fawn. [Zie: Pete Walker, Complex PTSD: From Surviving to Thriving. 2013)]

Bij fawning leer je als kind dat vechten of vluchten geen optie is. De enige manier om veilig te blijven, is door de behoeftes van de dominante figuur feilloos aan te voelen en jezelf volledig weg te cijferen. Dit is geen karakterzwakte, maar juist een uiterst effectieve strategie om acuut gevaar en escalatie af te wenden.

Wanneer deze twee strategieën in een volwassen relatie samenkomen, ontstaat een fatale dynamiek. De dader vindt iemand wier tweede natuur het is om in te schikken. Het slachtoffer excuseert zich voortdurend voor de kleinste dingen en probeert escalaties krampachtig voor te zijn. De dader misbruikt deze hyper-afstemming om steeds verder te gaan, en weigert verantwoordelijkheid te nemen voor zijn eigen onvermogen om macht te delen.

3. Systemisch falen en intersectionele blinde vlekken

Slachtoffers raken niet alleen beschadigd door de dader, maar lopen vervolgens vast in een rechtssysteem dat blind is voor het krachtenveld waarin zij leven.

Hier wreekt zich wat jurist en mensenrechtengeleerde Kimberlé Crenshaw “intersectionality” noemt: onrecht laat zich niet vangen in één as tegelijk (alleen “gender”, alleen “klasse”, alleen “etniciteit”), maar ontstaat juist waar verschillende machtslijnen elkaar kruisen en mensen in een niemandsland van de bescherming doen belanden.

Crenshaw bekritiseert dit “single-axis thinking”: instituties en wetten die ofwel uitgaan van de ervaring van de gemiddelde vrouw, ofwel van de gemiddelde persoon van kleur, maar niet van vrouwen die tegelijk vrouw én arm én migrant én moeder zijn.

In haar klassieke kruispuntmetafoor is het slachtoffer een voetganger die op een druk kruispunt staat en van alle kanten wordt aangereden, terwijl het recht doet alsof er maar één rijrichting bestaat. Zo ontstaat wat Crenshaw “intersectionele uitsluiting” zou noemen: wie niet past in de standaardcategorieën, valt tussen wal en schip.

[Zie: Crenshaw, Kimberle, Demarginalizing the Intersection of Race and Sex: A Black Feminist Critique of Antidiscrimination Doctrine, Feminist Theory and Antiracist Politics. 1989. Online: https://chicagounbound.uchicago.edu/uclf/vol1989/iss1/8]

In het geval van huiselijk geweld betekent dit dat het systeem vooral de gevallen herkent waarbij sprake is van éénmalige mishandeling, duidelijke fysieke schade, geen ingewikkelde gezinssituatie. En structurele dwingende controle in complexe levenssituaties al snel wegfiltert als “relationeel conflict” of “vechtscheiding”.

Het op deze wijze falen van het systeem leidt tot secondary victimization: het systeem dat zou moeten beschermen, brengt juist nieuwe schade toe. Ongeveer tachtig procent van de zaken rondom huiselijk geweld wordt geseponeerd, zoals ik eerder beschreef. Familierechters, gedreven door een ogenschijnlijk neutrale ideologie van “gelijkwaardig ouderschap”, dwingen slachtoffers via omgangsregelingen om in nauw contact te blijven met hun kwelgeest. De dader gebruikt zijn formele rechten om zijn terreur via de kinderen voort te zetten. In Crenshaws termen is dit een vorm van structurele intersectionaliteit: beleid dat zogenaamd genderneutraal en kindergericht is, pakt in de praktijk het hardst uit voor vrouwen die al in een kwetsbare positie zitten.

Zo wordt dwingende controle genivelleerd tot een “complexe scheiding”, en blijft de onuitgesproken norm dat de moeder de ontstane schade moet incasseren, reguleren en compenseren, terwijl de dader kan schuilen achter de taal van rechten, redelijkheid en wederkerigheid.

4. De escalatieladder: van controle naar femicide

Het gevaar van deze bagatellisering wordt helder gemaakt door criminoloog Jane Monckton Smith. Zij onderzocht bijna 400 gevallen van intimate partner homicide cases en ontdekte dat deze vrijwel nooit “crimes of passion” of ongelukken zijn, maar het sluitstuk van een heldere, acht-stappen escalatieladder (Homicide Timeline). In stadium 3 is de relatie al overgenomen door dwingende controle. Het dodelijke risico ontstaat in stadium 4 (de “trigger”), vaak wanneer het slachtoffer probeert de controle terug te pakken door te vertrekken.

Wie roept “waarom ga je niet gewoon weg?”, miskent dat weggaan voor een slachtoffer van dwingende controle statistisch het gevaarlijkste moment is. Zolang politie en rechters wachten op fysiek bewijs of de intentie van de man bagatelliseren, missen zij de dodelijke ernst van dwingende controle – met fatale gevolgen.

Wie deze escalatieladder serieus neemt, kan huiselijk geweld niet langer zien als een privétragedie of als een reeks ongelukkige misverstanden. Het is een systematische vorm van machtsmisbruik die begint met kleine verschuivingen in waarheid en werkelijkheid: wie bepaalt wat “er echt gebeurd is”, wie geloofd wordt, wiens perspectief als redelijk geldt.

Het gevecht om waarheid, interpretatie en geloofwaardigheid stopt helaas niet bij de voordeur. De patronen die we in de huiskamer zien, keren terug in de manier waarop we publiek debat, leiderschap en instituties inrichten. Wat in één relatie “gaslighting” heet, noemen we in de politiek “framing”, “spin” of “strategie”. Maar de logica is dezelfde: wie macht heeft, buigt de werkelijkheid naar zich toe en schuift de schade af op degene met de minste speelruimte.

5. Van huiskamer naar maatschappij: de erosie van waarheid

Deze ongelijkwaardige machtsdynamieken zijn geen privé‑afwijking, maar een draaiboek dat we op grotere schaal terugzien. Dezelfde logica – de werkelijkheid buigen, tegenspraak bestraffen, schade afschuiven op de minst machtige partij – duikt op in de manier waarop we politiek bedrijven en instituties aansturen. Waar de pleger in de huiskamer liegt, verdraait en ontkent, zien we politieke leiders die feiten “rebranden”, wetten rekken en de geloofwaardigheid van rechters, pers en toezichthouders systematisch uithollen.

Net als het slachtoffer dat uit pure uitputting de zoveelste absurde claim van haar partner onweersproken laat, raakt ook de publieke opinie murw. Wat in de privésfeer gaslighting heet, normaliseren we in het openbaar als “framing”, “spin” of “politieke stijl”. Machtsmisbruik wordt herverpakt als “kleur aan het debat”, redelijkheid wordt weggezet als naïef of zwak. Zo verschuift stap voor stap het referentiekader van wat nog als normaal, aanvaardbaar of “gewoon bij de politiek” geldt.

In de relatie wordt de interne dialoog van het slachtoffer steeds stiller; haar eigen oordeel wordt verdrongen door de logica van de pleger. Iets vergelijkbaars gebeurt op collectief niveau wanneer burgers hun eigen waarneming niet meer vertrouwen en zich voegen naar het verhaal van wie het hardst spreekt of het meest aan de knoppen zit. De erosie van waarheid is dan geen abstract filosofisch probleem, maar een concrete machtsstrategie.

Om dit te kunnen zien, is een gestalt switch, of: paradigmaverschuiving nodig: het moment waarop je niet langer naar losse uitspraken, incidenten of beleidskeuzes kijkt, maar naar het patroon dat ze vormen. Vanaf dat moment kun je het niet meer níet zien: de logica van dwingende controle blijkt niet alleen een huiskamerdynamiek, maar een maatschappelijk script waarin waarheid, recht en waardigheid stap voor stap ondergeschikt worden gemaakt aan macht.

6. Tijd voor relationele ethiek

Wie eenmaal ziet hoe diep deze logica reikt – van de huiskamer tot in de instituties – kan niet volstaan met meer incidentregistratie of strengere taal. Wat hier ontbreekt, is niet alleen wetgeving, maar een ander moreel uitgangspunt.

We moeten daderschap en slachtofferschap herdefiniëren vanuit relationele ethiek. De rechtsstaat vertrekt nog te vaak vanuit de fictie van het autonome individu: ieder mens als los, rationeel eiland dat vrij en onafhankelijk keuzes maakt. Juist in het familierecht is die fictie hardnekkig, terwijl relaties per definitie gekenmerkt worden door afhankelijkheid, kwetsbaarheid en verweven belangen – zoals ook jurist Jonathan Herring betoogt in zijn werk over relational autonomy en zorg. [Zie: Jonathan Herring, Caring and the Law. 2013.]

In een dwingende relatie wordt autonomie niet in één klap afgenomen; zij wordt door micro‑regulering steen voor steen afgebroken. Wie voortdurend wordt gecorrigeerd, beperkt en gestraft, verliest niet alleen opties, maar ook het geloof dat er überhaupt nog andere opties zijn. In zo’n context spreken over “vrije keuze” is geen neutraliteit, maar ontkenning van het krachtsverschil.

Een relationele ethiek stelt daarom een andere vraag centraal: hoe is iemands handelingsvrijheid (agency) in deze relatie systematisch uitgehold, en wie heeft daarvan geprofiteerd? Als we erkennen dat iemand doelbewust minder ruimte heeft gekregen om te handelen, verstomt de reflex om haar keuzes achteraf moreel te veroordelen, en komt de verantwoordelijkheid te liggen waar hij hoort: bij degene die de ruimte van de ander inperkt.

Juridisch zijn er belangrijke stappen in de maak, zoals het strafbaar stellen van psychisch geweld. Maar een wetswijziging alleen is onvoldoende zolang de onderliggende blik hetzelfde blijft. De hele keten – advocatuur, politie, rechters, jeugdzorg en het bredere publiek – moet leren zien dat zwaarwegend partnergeweld geen “ruzie” is tussen twee gelijkwaardige partijen, maar een vorm van terreur in een asymmetrische relatie. Pas wanneer we stoppen met neutraliserende taal en expliciet benoemen wie structureel de ruimte, stem en waarheid van de ander inpikt, ontstaat de mogelijkheid om de spiraal te doorbreken die nu levens verwoest.

De zachte dwang van de scheiding

De zachte dwang van de scheiding

Hoe mediation in hoog-conflictscheidingen slachtoffers soms opnieuw tot toegeven dwingt. Inleiding “Mediation kan u en uw partner ook helpen om afspraken te maken waar u allebei tevreden mee bent,” schrijft…
Lees meer

© 2026 - Marlon Domingus. Alle rechten voorbehouden.

Gebouwd door BAAT. marketing