De onzichtbare oorlog, deel 3: De omstander, de taal en de onbereikbare rechtvaardigheid
Dit is deel 3 uit een drieluik. Deel 1 keek van bovenaf: cijfers, verdragen, beleid, toezicht. Deel 2 ging de voordeur door, naar de pleger, het patroon en de onwil van professionals om de consequenties van hun eigen kennis te dragen. Dit deel gaat over wie er nog meer in de kamer staan, en over wat zij zeggen — of juist niet zeggen.
Aan het slot van deel 2 stond één zin die het probleem samenvat. Er is in 2026 geen gebrek aan kennis over coercive control in Nederland. Er is een gebrek aan het dragen van de consequenties van die kennis.
Wie zijn dan de dragers? Niet de pleger; die handelt helaas al. Niet alleen het slachtoffer; zij draagt al meer dan iemand zou moeten dragen. De vraag wijst onvermijdelijk naar een derde groep. Het zijn de omstanders. In twee betekenissen.
Er is de informele kring: vrienden, familie, buren, collega’s, leidinggevenden, sportclubgenoten, schoolouders, kerkgenoten. Iedereen die iets ziet of had kunnen zien.
En er is de institutionele kring: huisarts, mediator, wijkteam, Veilig Thuis, jeugdbescherming, politie, Openbaar Ministerie, rechter.
Beide ringen functioneren in dezelfde dynamiek. Beide ringen zwijgen vaak op vergelijkbare manieren. En beide ringen geven, door dat zwijgen, controle weg aan de pleger.
De omstander als onzichtbare actor
In de klassieke literatuur over partnergeweld staan twee figuren: pleger en slachtoffer. De omstander is op zijn best een bijfiguur. In de praktijk is dat omgekeerd. Plegers van coercive control opereren niet in een vacuüm. Zij doen wat zij doen omdat de omgeving het toelaat. Actief, door mee te lachen, door de scherpe opmerking als humor te coderen, door tijdens visites de “ene scène” weg te poetsen. Of passief, door niets te doen. Kortom: door weg te kijken.
De Amerikaanse onderzoeker Ervin Staub, overlevende van de Hongaarse Holocaust en emeritus hoogleraar psychologie aan University of Massachusetts Amherst, formuleerde in The Roots of Evil (1989) en The Roots of Goodness (2015) wat hij active bystandership noemt. De kerngedachte is dat passieve omstanders door hun stilzwijgen plegers versterken. Niet metaforisch maar mechanisch: zwijgen schept het permissieve klimaat waarin escalatie mogelijk wordt. Toegepast op intieme relaties: zonder een omgeving die het aanvaardt, kan een pleger zijn patroon niet volhouden. Hij heeft de stilzwijgende ruimte nodig.
Dat sluit naadloos aan bij wat Lundy Bancroft, met zijn dertig jaar ervaring in plegersgroepen, in Why Does He Do That? (2002) als kerninzicht formuleert: een mishandelende man is niet mishandelend door een onderliggende stoornis maar omdat het hem iets oplevert. Derry’s lijst in deel 2 illustreert dit. En de omgeving, of die nu zwijgend toekijkt of meedoet, is een van die opbrengsten voor de pleger. De omstander is de toehoorder die de versie van de werkelijkheid van de pleger voor waar aanneemt, en daarmee diens versie mede tot werkelijkheid verheft.
Bronnen:
- Staub, E. (1989). The roots of evil. Cambridge University Press. https://www.cambridge.org/core/books/roots-of-evil/0E6F6D3B7F5A0F6B9B0B1D8A6F5B2F9D
- Staub, E. (2015). The roots of goodness and resistance to evil. Oxford University Press. https://global.oup.com/academic/product/the-roots-of-goodness-and-resistance-to-evil-9780195382030
- Bancroft, L. (2002). Why does he do that?: Inside the minds of angry and controlling men. Berkley Books. https://www.penguinrandomhouse.com/books/28989/why-does-he-do-that-by-lundy-bancroft/
Het gender van het patroon
Tot hier heb ik gesproken over plegers, slachtoffers en omstanders alsof dat genderneutrale categorieën zijn. Dat is een vereenvoudiging die we nu moeten loslaten.
De cijfers wijzen één richting op. In de CBS Prevalentiemonitor Huiselijk Geweld 2024 is bij vrouwelijke slachtoffers van psychisch geweld in de huiselijke kring de pleger in 51 procent van de gevallen een man, tegen 11 procent een vrouw.
Toelichting: 51% een man, 11% een vrouw, 28% zowel mannelijke als vrouwelijke plegers, 9% niet opgegeven (CBS PHGSG 2024, hoofdstuk 2.2)
Bij fysiek geweld is die verhouding 61 tegen 17 procent. Bij fysiek seksueel geweld is de pleger van vrouwelijke slachtoffers in 93 procent van de gevallen een man. En het cijfer uit deel 1 staat: bij 60 procent van de in Nederland vermoorde vrouwen was de (vermoedelijke) dader de (ex-)partner.
Mannelijke slachtoffers bestaan, en hun verhalen verdienen serieuze erkenning. De structurele dynamiek van coercive control echter, het patroon dat in deel 2 stap voor stap is gereconstrueerd, inclusief de escalatie naar femicide, is overwegend een dynamiek waarin een man een vrouw onderwerpt. David Mandel, wiens Safe & Together-model expliciet ook werkt voor gelijkgeslachtelijke relaties en mannelijke slachtoffers, schrijft zelf dat de meest voorkomende constellatie bij coercive control een mannelijke pleger en een vrouwelijk slachtoffer is. Dat het model in alle situaties bruikbaar is, maakt de statistische asymmetrie niet kleiner.
Op die asymmetrie wachten cultureel ingebakken verwachtingen. Van vrouwen wordt verwacht dat zij zorgen, verbinden, dragen, harmoniseren, en wanneer dat alles niet helpt: beschermen. Van mannen wordt veel minder verwacht. De maatschappelijke beloningsstructuur is voor mannen gunstig zodra zij minimaal aanwezig zijn.
Wanneer er dan iets misgaat in een relatie, draait de blik bijna automatisch om. Niet “wat heeft hij gedaan?” maar “wat heeft zij niet goed aangepakt?”. Niet “waarom slaat hij?” maar “waarom blijft zij?”.
Daarmee wordt het slachtoffer een tweede keer slachtoffer. Ditmaal van het beoordelingssysteem dat door dezelfde omgeving over haar heen wordt gelegd — de omgeving die haar zou moeten erkennen. En hoe meer aandacht op haar gevestigd is, hoe minder de pleger hoeft te verantwoorden. Hij verdwijnt, niet ondanks haar zichtbaarheid, maar dankzij haar zichtbaarheid.
Bron: CBS, Prevalentiemonitor Huiselijk Geweld en Seksueel Grensoverschrijdend Gedrag 2024, hoofdstukken 2, 3 en 7, gepubliceerd november 2024.
Verwachtingen die schuiven
David Mandel beschrijft dit mechanisme op het niveau van ouderschap, dat hij mother-blaming and father-ignoring noemt. Mandel’s inzichten zijn mijns inziens het meest verhelderend over hoe omstanders meebewegen met de pleger. David Mandel is oprichter van het Safe & Together Institute in Connecticut, dat sinds bijna vier decennia overheden en NGO’s traint op vier continenten.
Mandel identificeerde het mother-blaming and father-ignoring mechanisme: een systematische scheeftrekking in de verwachtingen die we aan ouders stellen, die ertoe leidt dat de moeder – door vrienden en instituties – strenger wordt beoordeeld op haar bescherming dan de vader op zijn geweld.
De moeder wordt afgemeten aan haar draagkracht, haar vermogen om te beschermen, haar inschatting van de relatie, haar “keuze” om te blijven of niet. De vader, degene wiens gedrag het probleem ís, wordt beoordeeld op afwezigheid en niet-aanwezigheid. Dat hij niet beschermt, valt zelden in het dossier op. Dat hij geweld inzet als opvoedingsstrategie, wordt zelden expliciet als opvoeding benoemd. Hij wordt een nauwelijks zichtbare omstandigheid in plaats van een de eenzijdig gewelddadig handelend persoon.
Mandels correctie ligt samengevat in één zin, die in zijn werk steeds terugkeert:
Domestic violence perpetration is a parenting choice.
Het plegen van huiselijk geweld door een vader is een bewuste keuze die hij maakt in zijn rol als opvoeder. Niet een omstandigheid die hij ondergaat. Niet een ziekte die hem overkomt. Een keuze, met gevolgen voor zijn kinderen, die in zijn beoordeling als ouder hoort te worden meegewogen. Een dergelijke beoordeling zou het hele dossier kantelen.
Toegepast op informele omstanders: we verwachten van mannen veel minder relationele zorg, en we belonen impliciet hun afwezigheid als “het is nu eenmaal een man”. We verwachten van vrouwen dat zij relaties dragen, conflict vermijden en beschermen. Wanneer iets misgaat, kijken we naar wat de vrouw zou kunnen hebben gedaan, en niet naar wat hij doet of nalaat.
Bron: David Mandel, Stop Blaming Mothers and Ignoring Fathers: How to Transform the Way We Keep Children Safe from Domestic Violence, Safe & Together Institute Press, 2024.
De taal van de afwezige dader
In deel 2 stonden drie zinnen die het mechanisme verraden. Ik herhaal ze, omdat de herhaling het zichtbaar maakt:
“Er was geweld in het gezin.”
“Zij werd mishandeld.”
“De kinderen waren getuige van onveiligheid.”
Drie passieve constructies. Drie zinnen waarin geen pleger voorkomt. De eerste is de meest extreme: er gebeurt iets, maar niemand doet het. Het geweld is een natuurverschijnsel, als regen, als wind. In de tweede heeft het slachtoffer een handelingsvorm aangenomen die niet bij haar hoort: zij werd mishandeld, alsof de mishandeling iets is dat zij ondergaat in plaats van iets wat hij doet. In de derde zijn de kinderen “getuige van onveiligheid”. Een term die suggereert dat de onveiligheid uit zichzelf voor het raam staat.
Hierachter ligt een academische traditie van decennia. In 1991 publiceerde Sharon Lamb in het American Journal of Orthopsychiatry een artikel met een titel die de hele analyse omvat: “Acts Without Agents: An Analysis of Linguistic Avoidance in Journal Articles on Men Who Batter Women”. Haar bevinding was dat zelfs in de gespecialiseerde literatuur over partnergeweld plegers grammaticaal worden weggepoetst. Ook het taalgebruik dat in onze dossiers, krantenartikelen en hulpverleningsverslagen verschijnt maskeert de feiten.
In 2004 werkten Linda Coates en Allan Wade dit uit in Discourse & Society. Vier strategieën komen telkens terug.
- Het verbergen van geweld. Het wordt een “incident”, een “voorval”, een “escalatie”.
- Het verzachten van verantwoordelijkheid van de pleger. Hij “had moeite met emoties”, hij “knapte”.
- Het verbergen van het verzet van het slachtoffer. Haar pogingen tot bescherming worden niet benoemd, alsof zij passief was.
- En het verdacht maken van het slachtoffer. “Zij blijft toch ook”, “zij heeft hem gekozen”.
Vier strategieën die samen een dader onzichtbaar maken en het slachtoffer op een nieuwe manier wederom tot slachtoffer maken.
Mandel knoopt hierop aan met een toepassing op dossiers in de kinderbescherming. In zijn opleidingen leert hij professionals om iedere passieve zin te markeren en te herschrijven naar een actieve zin met benoemde dader. Niet als stijloefening. Als analytische ingreep.
Want de zin “the children have been exposed to domestic violence” beschrijft hetzelfde feit als “the father exposed the children to his pattern of coercive control”. Maar de tweede dwingt de lezer naar de pleger en zijn keuzes. De eerste laat de pleger waar hij wil zijn: buiten beeld.
Bronnen:
- Lamb, S. (1991). Acts without agents: An analysis of linguistic avoidance in journal articles on men who batter women. American Journal of Orthopsychiatry, 61(2), 250–257. https://doi.org/10.1037/h0079257
- Coates, L., & Wade, A. (2004). Telling it like it isn’t: Obscuring perpetrator responsibility for violent crimes. Discourse & Society, 15(5), 499–526. https://doi.org/10.1177/0957926504045033
- Safe & Together Institute. (2023). A framework for defining and discussing domestic violence in child welfare systems Blog post. https://www.safeandtogetherinstitute.org/resources/a-framework-for-defining-and-discussing-domestic-violence-in-child-welfare-systems
Waarom we het zo zeggen
De vraag is dan: waarom doen omstanders dat. Waarom zegt de tante “het was een moeilijke periode tussen hen”. Waarom schrijft de hulpverlener “er is sprake van relationele spanning”. Waarom laat de buurman de politie weten dat “het soms wel eens uit de hand liep”.
De goede-bedoelingen-verklaring is ontoereikend. Niemand wil schuldigen vrijpleiten. Het mechanisme zit dieper, en kent ten minste vier lagen.
De eerste laag is wat Hannah Arendt in Eichmann in Jerusalem (1963) Gedankenlosigkeit noemde: gedachteloosheid, niet domheid. De omstander gebruikt de zinnen die hij gewend is te gebruiken. Hij neemt de taal van het systeem over, omdat dat de taal is die hij in vergaderingen, dossiers en formulieren tegenkomt. De taal heeft hem geleerd op deze manier te kijken. Op het oog lijkt het neutraal, professioneel, beheerst. In werkelijkheid faciliteert het de pleger.
De tweede laag is pluralistic ignorance, een term uit het werk van Bibb Latané en John Darley en later van Robert Cialdini. In een groep waarin niemand iets zegt, leest iedereen die stilte als signaal dat er niets aan de hand is. Of, in dit geval: dat het iets is waar je niet over praat. De omstander voegt zich naar de stilte van de andere omstanders, en bevestigt daarmee de stilte voor de volgende. Latané en Darley toonden experimenteel aan: hoe meer omstanders, hoe kleiner de kans dat één van hen handelt. Niet uit harteloosheid, uit informatieverwarring.
De derde laag is wat de Utrechtse advocaat Jolande ter Avest in deel 2 van dit drieluik al benoemde, en wat ik als de scherpste Nederlandse formulering tot nu toe beschouw: kennis vervliegt omdat we de consequenties van die kennis niet willen dragen. Erkennen dat dit huiselijk geweld is, dwingt tot handelen. Niet erkennen scheelt handelen. De passieve zin is het taalkundige equivalent van wegkijken.
De vierde laag, specifiek voor instituties, beschrijft Mandel zelf met klinische precisie. Systemen ontwikkelen taalconventies die de organisatorische werkdruk reguleren. “Domestic violence” is dossiertechnisch hanteerbaarder dan “deze vader heeft ervoor gekozen om de moeder van zijn kinderen jarenlang te bedreigen, te isoleren, te slaan en haar handelingsruimte stelselmatig in te perken”. Het eerste is een categorie. Het tweede is een opdracht. Wie de tweede formulering opschrijft, neemt iets op zijn bord. Wie bij de eerste blijft, schuift het door.
Bronnen:
- Arendt, H. (1963). Eichmann in Jerusalem: A report on the banality of evil. Viking Press.
- Latané, B., & Darley, J. M. (1970). The unresponsive bystander: Why doesn’t he help? Appleton-Century-Crofts.
- Cialdini, R. B. (1984). Influence: The psychology of persuasion (Chapter 4: Social proof). Harper Business.
Wat omstanders dan wél kunnen zeggen
De call to action is daarmee tegelijk minder spectaculair en lastiger dan vaak gedacht. Het gaat zelden om grote interventies. Het gaat zelden om de heroïek van de openlijke confrontatie. Het gaat om iets veel banalers en daardoor moeilijker: het gaat om het aanpassen van zinnen.
Een paar oefeningen, ontleend aan de Safe & Together-tradities en aan Coates en Wade.
Vervang “er was geweld in het gezin” door “hij heeft haar geslagen, gedreigd en geïsoleerd”.
Lastig? Dat is het punt. Het zijn twee feitelijk identieke zinnen, maar de tweede dwingt de spreker en de luisteraar naar het concrete handelen van een concreet persoon.
Vervang “de kinderen waren getuige van onveiligheid” door “hij heeft zijn kinderen blootgesteld aan zijn geweld tegen hun moeder”. Het is langer, ongemakkelijker, en daarom accurater.
Vervang “ze blijft toch ook” door “hij maakt het haar onmogelijk om veilig te vertrekken”.
De eerste zin beschuldigt het slachtoffer. De tweede beschrijft wat de pleger doet om haar handelingsruimte te beperken. Het feit waarover gesproken wordt is hetzelfde. De richting van de aandacht is omgekeerd.
Vervang “het ging weer eens mis tussen hen” door “hij heeft haar weer in het nauw gedreven”. Vermijd de wij-vorm in geweldssituaties. “Het stel had problemen” is een slechte zin als één van de twee de problemen veroorzaakt en de ander de problemen ondergaat. “Hij creëerde de problemen waaraan zij niet kon ontsnappen” is geen agressieve formulering. Het is precies de juiste.
Voor instituties geldt hetzelfde, alleen ingewikkelder, omdat formulieren en categorieën meeschrijven. Maar ook daar geldt: een dossier dat begint met “vader heeft een patroon van controle, intimidatie en geweld jegens moeder, met de volgende impact op de kinderen X, Y, Z” is een ander dossier dan een dossier dat begint met “er is sprake van huiselijk geweld in het gezin”. Het tweede laat de jeugdrechter alle ruimte om te oordelen over de moeder. Het eerste richt de blik op de vader. Mandels Perpetrator Pattern Mapping Tool is precies daarop gebouwd. De tool identificeert de hoofd-dader, hun coercieve controle-patronen, de schade aan kinderen en beschermende moeder-kind-interacties. Professionals vullen het in voor een specifiek geval om verborgen dynamieken zichtbaar te maken, met aandacht voor socio-economische factoren, verslaving en meer.
Dit is een klein gebaar. Een omstander die zijn taal aanpast, redt zelden in zijn eentje een leven. Maar Staubs onderzoek over zes decennia komt op één punt steeds terug: actief omstanderschap is bijna nooit één heroïsche daad. Het is een opeenstapeling van kleine correcties, ieder afzonderlijk vrijwel onzichtbaar, die het permissieve klimaat ontmantelen waarin de pleger thuishoort.
De systemen als omstanders
De pijnlijkste consequentie van deze analyse is dat de Nederlandse rechtsketen, jeugdbescherming en hulpverlening grotendeels handelen als omstanders in de slechte zin van het woord. Niet uit kwade wil. Uit een combinatie van Arendts Gedankenlosigkeit, Cialdini’s pluralistic ignorance, en Ter Avest’ onwil om consequenties te dragen.
In deel 2 stond het cijfer al. In 17 van de 60 zaken huiselijk geweld die het Amsterdamse hof recent afwees, erkent het hof zelf dat er voldoende bewijs was en dat een veroordeling “voor de hand ligt”, maar gaat het toch niet vervolgen. In 14 daarvan luidt de redenering dat strafrechtelijk ingrijpen de “onderlinge verhoudingen” of de “geestelijke gezondheid van de kinderen” zou schaden.
In Mandels taalkundige analyse: het hof gebruikt passieve zinsconstructies om actief te zijn. Actief in het uit handen geven van controle aan de pleger. De pleger heeft niet meer “de onderlinge verhoudingen” verstoord; “de onderlinge verhoudingen” zijn een soort gemeenschappelijke entiteit geworden waar het hof voor wil zorgen, ook als dat betekent dat de pleger zijn patroon kan voortzetten. De kinderen worden niet beschermd tegen hem; zij worden beschermd tegen de gevolgen van een mogelijke veroordeling — alsof die gevolgen erger zouden zijn dan zijn gedrag.
Het is, in het wreedste begrip van het woord, omstanderschap door de staat. Het hof staat in de kamer, ziet wat er gebeurt, en kiest om de zin in passieve constructie te schrijven. De pleger leest die zin en weet wat hij weet: dat er niets gebeurt.
Epiloog: rechtvaardigheid op afstand
In 1992 publiceerde de Amerikaanse psychiater Judith Lewis Herman Trauma and Recovery. Het boek bracht voor het eerst trauma-na-oorlog en trauma-na-huiselijk-geweld onder één theoretische noemer, en herstelde daarmee de continuïteit tussen wat de staat erkent (de soldaat) en wat de staat lange tijd niet erkende (de partner van de geweldpleger). Herstel, schreef Herman, gebeurt in drie fasen: het herstellen van veiligheid, het herinneren en rouwen, en de hernieuwde verbinding met de wereld. Geen van die fasen is mogelijk in een omgeving waarin de gemeenschap zwijgt. Sociale steun, schreef zij ook, is een van de sterkste voorspellers van herstel. Sociale isolatie is toxisch.
Eenendertig jaar later, in 2023, schreef zij Truth and Repair: How Trauma Survivors Envision Justice. Zij stelde dertig overlevenden van seksueel en relationeel geweld één vraag, niet ongelijk aan die van Chuck Derry aan zijn plegers, maar dan in spiegelbeeld: wat zou rechtvaardigheid voor jou betekenen? Wat zou dingen zo goed mogelijk maken?
De antwoorden weken systematisch af van wat het strafrecht aanbiedt. Slachtoffers wilden, in overgrote meerderheid, niet in de eerste plaats straf. Zij wilden erkenning. Zij wilden dat hun gemeenschap — familie, vrienden, collega’s, instituties — de waarheid zou erkennen en het misdrijf zou veroordelen. Zij wilden, in Hermans formulering, acknowledgement, vindication, apology, and amends van degenen die er voor hen toe deden.
Wat zij niet wilden, waren rechtszaken die hun symptomen verergerden door eindeloze herbeleving in een ondersteuningsarm proces. Wat zij niet wilden, was een gemeenschap die hen behandelde als een individueel ongeluk. En wat zij niet konden verdragen, was wat Herman implicated subjects noemt: degenen die het wisten en niet handelden. Die zwijgende omstanders, schrijft zij, krenken de waardigheid van het slachtoffer evenzeer als de pleger zelf.
Herman voegt er een observatie aan toe die voor de Nederlandse situatie cruciaal is. Pas wanneer de gemeenschap rond het slachtoffer staat, kan haar woede zich vertalen in gedeelde verontwaardiging. En gedeelde verontwaardiging is de energiebron van herstel. Zonder die gemeenschap zakt de woede weg in machteloze radeloosheid en bevriest het herstel. Wat slachtoffers nodig hebben is niet primair de veroordeling van de pleger. Het is de erkenning door hun omgeving dat hij doet wat hij doet, en dat dat onaanvaardbaar is.
Met dank aan Ingrid Vledder die mij attent maakte op het werk van Herman.
Bron:
- Herman, J. L. (1992). Trauma and recovery: The aftermath of violence—From domestic abuse to political terror. Basic Books. https://www.basicbooks.com/titles/judith-l-herman/trauma-and-recovery/9780465061716/
- Herman, J. L. (2023). Truth and repair: How trauma survivors envision justice. Basic Books. https://www.basicbooks.com/titles/judith-l-herman/truth-and-repair/9781541601011/
Toegepast op de Nederlandse situatie van 2026 is de uitkomst eenvoudig en somber. De honderden vrouwen en hun kinderen die jaarlijks in coercive control leven, en de tientallen die er aan sterven, leven in een land waarin de informele omstanders meestal niets zeggen, in de zinnen van de pleger meepraten, of de moeder als probleem zien. Zij leven in een land waarin de institutionele omstanders dezelfde patronen reproduceren. In passief taalgebruik. In sepots “in het belang van de onderlinge verhoudingen”. In het ontbreken van gestandaardiseerd doorvragen aan de voordeur van de hulpverlening. In dossiers waarin de moeder beoordeeld wordt op haar bescherming en de vader op zijn afwezigheid.
Erkenning, in Hermans betekenis, is in dat klimaat een ver gerekte ambitie. Niet onmogelijk, maar zeldzaam. En zonder erkenning kan de woede van het slachtoffer geen gedeelde verontwaardiging worden. Zij zakt weg in machteloze radeloosheid, of in een vermoeidheid die op aanpassing lijkt en het in werkelijkheid niet is.
Wat dit drieluik tenslotte beschrijft, is een gat. Tussen wat we weten en wat we doen. Tussen het patroon dat plegers moeiteloos kunnen opnoemen en de zinnen waarin omstanders dat patroon laten verdwijnen. Tussen de rechtvaardigheid die slachtoffers zoeken en de rechtvaardigheid die het systeem aanbiedt.
Het slechte nieuws is dat het gat groot is. Het goede nieuws, voor zover dat woord hier op zijn plaats is, is dat het uit zinnen bestaat. Zinnen kunnen veranderd worden. Eén voor één, in dossiers, in vergaderingen, in gesprekken aan de keukentafel.
Het is in 2026 niet veel. Maar het is wat omstanders kunnen doen, en zonder wat omstanders doen valt er voor het slachtoffer geen rechtvaardigheid te bereiken.
Support voor kennisontwikkeling en kennisdeling
Na de zomer 2026 start een driedaagse nascholing voor de rechtsketen en een voor de zorgketen. Accreditatie wordt aangevraagd. Onderdeel van het programma is een module taal en omstanderschap, waarin de hierboven beschreven analyse praktisch wordt vertaald naar dossiervorming, intakegesprekken en correspondentie. Info volgt.
Wil je deze initiatieven steunen en meer artikelen zoals dit ontvangen? Doneer dan via Tikkie!
Bronnen
ter Avest, J. @JolandeTerAvest. (2025, november). Beslissingen over omgang LinkedIn post. LinkedIn. https://www.linkedin.com/in/jolandetera/
Arendt, H. (1963). Eichmann in Jerusalem: A report on the banality of evil. Viking Press. https://www.penguinrandomhouse.com/books/159839/eichmann-in-jerusalem-by-hannah-arendt/
Bancroft, L. (2002). Why does he do that?: Inside the minds of angry and controlling men. Berkley Books. https://www.penguinrandomhouse.com/books/28989/why-does-he-do-that-by-lundy-bancroft/
Cialdini, R. B. (1984). Influence: The psychology of persuasion (hoofdstuk 4). William Morrow. https://www.harpercollins.com/products/influence-robert-b-cialdini
Coates, L., & Wade, A. (2004). Telling it like it isn’t: Obscuring perpetrator responsibility for violent crimes. Discourse & Society, 15(5), 499–526. https://doi.org/10.1177/0957926504045033
Herman, J. L. (1992). Trauma and recovery: The aftermath of violence—From domestic abuse to political terror. Basic Books. https://www.basicbooks.com/titles/judith-l-herman/trauma-and-recovery/9780465061716/
Herman, J. L. (2023). Truth and repair: How trauma survivors envision justice. Basic Books. https://www.basicbooks.com/titles/judith-l-herman/truth-and-repair/9781541601011/
Lamb, S. (1991). Acts without agents: An analysis of linguistic avoidance in journal articles on men who batter women. American Journal of Orthopsychiatry, 61(2), 250–257. https://doi.org/10.1037/h0079257
Latané, B., & Darley, J. M. (1970). The unresponsive bystander: Why doesn’t he help? Appleton-Century-Crofts.
Mandel, D. (2024). Stop blaming mothers and ignoring fathers: How to transform the way we keep children safe from domestic violence. Safe & Together Institute Press. https://safeandtogetherinstitute.com/product/stop-blaming-mothers-and-ignoring-fathers-book/
Safe & Together Institute. (2023). A framework for defining and discussing domestic violence in child welfare systems Blogpost. https://safeandtogetherinstitute.com/resources/a-framework-for-defining-and-discussing-domestic-violence-in-child-welfare-systems
Staub, E. (1989). The roots of evil: The origins of genocide and other group violence. Cambridge University Press. https://www.cambridge.org/core/books/roots-of-evil/0E6F6D3B7F5A0F6B9B0B1D8A6F5B2F9D
Staub, E. (2015). The roots of goodness and resistance to evil: Inclusive caring, moral courage, altruism born of suffering, active bystandership and heroism. Oxford University Press. https://global.oup.com/academic/product/the-roots-of-goodness-and-resistance-to-evil-9780195382030
De zachte dwang van de scheiding
